All-on-6-implantaatbehandeling
Volledige-boog steun met All-on-6
All-on-6 is een protocol waarbij per kaak zes implantaten worden gebruikt bij rehabilitatie met een vaste volledige-boogprothese. Extra implantaten kunnen vooral in de posterieure regio helpen om occlusiekrachten over een groter gebied te verdelen; dit betekent niet dat het in elke casus superieur is aan All-on-4. Het aantal implantaten alleen vormt geen succesgarantie; botkwaliteit en hygiëne zijn bepalend.
De protocolkeuze wordt gemaakt volgens botkwaliteit, botvolume, sinus- en kanaalanatomie en de behoefte aan protheseontwerp. Zes implantaten kunnen meer chirurgische tijd en kosten vragen; geschiktheid wordt na onderzoek en beeldvorming bepaald. Extra implantaatsteun posterieur kan in sommige casussen bijdragen aan verdeling van occlusiekrachten.
Verschillen in planning
Digitale planning kan implantaatpositie en protheseontwerp optimaliseren. Bij bruxisme worden materiaal en occlusieontwerp apart beoordeeld. Tijdelijke en definitieve prothetische fasen worden met de patiënt gedeeld. Bij onvoldoende bot kunnen botopbouw of sinuslifting als aparte fase worden gepland. CBCT kan worden gebruikt bij planning van botverdeling en anatomische risico’s.
All-on-6 is niet verplicht bij elk volledig kaakgebrek; in sommige casussen met voldoende botvolume kan All-on-4 voldoende steun bieden.
Toepassing en herstel
Implantaatplaatsing kan onder lokale anesthesie of sedatie worden uitgevoerd. Na osseointegratie wordt een schroefbevestigde vaste prothese vervaardigd. In de eerste weken zijn zachte voeding en hygiëne-instructies belangrijk. Zwelling en gevoeligheid kunnen voorkomen; bij duidelijke toename boven verwachting moet contact worden opgenomen met de kliniek.
Een tijdelijke vaste prothese kan in sommige casussen op dezelfde dag worden beoordeeld; dit geldt niet voor elke patiënt en hangt af van klinische geschiktheid. Roken kan de integratie nadelig beïnvloeden.
Vergelijking met All-on-4
All-on-6 vereist meer implantaten; bij sommige casussen met onvoldoende bot is het doel het steungebied te vergroten. Welk protocol geschikt is, wordt na onderzoek en beeldvorming bepaald. Hygiëne onder de prothese en regelmatige controle zijn in beide protocollen kritisch; bij implantaatverlies wordt revisie beoordeeld.
Bij implantaatverlies of prothesebreuk kan vroege interventie nodig zijn. Verwachtingen worden tijdens het onderzoek realistisch besproken; een vaste duur of uitkomst wordt niet beloofd. Tijdens de tijdelijke protheseperiode kunnen zachte voeding en vermijden van roken worden aanbevolen. Regelmatige controle en professionele reiniging kunnen de levensduur van de prothese ondersteunen; beeldvormingsfrequentie wordt volgens klinische behoefte bepaald.